Zoek op trefwoord
Inhoudsopgave
Trackers geven meer door dan alleen hun positie: brandstofniveau, temperatuur, spanning, contact aan of uit, een iButton- of RFID-code. In het portaal bepaalt u per object hoe die waarden worden gelezen en getoond.
Sensoren per object
Open een object via Instellingen → Objecten → potlood → Sensoren. U ziet de sensoren die bij het trackertype horen, met hun huidige waarde — bijvoorbeeld externe voeding in volt, tankniveau in procenten en of het contactslot aan staat.

Typesensoren en eigen sensoren
Er zijn twee niveaus, en dat onderscheid is de sleutel tot dit scherm:
- Typesensoren gelden voor alle trackers van hetzelfde type. Die beheert u centraal via Alle sensoren beheren.
- Eigen sensoren maakt u met + Eigen sensor voor deze tracker en gelden alleen voor dít object. Een eigen sensor overschrijft een typesensor met dezelfde naam.
Werk dus zoveel mogelijk met typesensoren, en gebruik een eigen sensor alleen waar één voertuig afwijkt.
Kalibreren
Eigen sensoren kunnen een kalibratie of grenswaarden meekrijgen. Dat heeft u nodig zodra een ruwe meetwaarde niet overeenkomt met de werkelijkheid — het klassieke voorbeeld is een brandstofsensor die een spanning doorgeeft in plaats van liters. Met een kalibratie vertaalt u die meetwaarde naar een bruikbaar getal.
Waar u de waarden terugziet
De actuele waarden staan in het onderpaneel bij het object. Over een langere periode komen ze terug in rapporten zoals Brandstof (OBD-verbruik). Wilt u een melding wanneer een sensorwaarde een grens overschrijdt — bijvoorbeeld een koelwagen die te warm wordt — koppel er dan een gebeurtenis aan via Events instellingen.
Weet u niet zeker welke sensoren uw tracker ondersteunt of hoe u moet kalibreren? Neem contact met ons op — dat scheelt u veel uitzoekwerk.